benaderbaar
Uiterlijk
- Geluid:  benaderbaar    (hulp, bestand)
- IPA: /âŻbÉ'nadÉrbarâŻ/ (4 lettergrepen)
- be·na·der·baar
- Naamwoord van handeling van benaderen met het achtervoegsel -baar.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | benaderbaar | benaderbaarder | benaderbaarst |
| verbogen | benaderbare | benaderbaardere | benaderbaarste |
| partitief | benaderbaars | benaderbaarders | - |
benaderbaar
- te benaderen, makkelijk mee te praten
- âžÂ Er zit iets benaderbaars in een persoon alleen. Een kwetsbaarheid die ruimte schept zodat deuren eerder voor hem opengaan.[1]
  1. te benaderen, makkelijk mee te praten Â
- Het woord benaderbaar staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- â Tim VoorsâAlleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canadaâ, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
