handbezem
Uiterlijk

- hand·be·zem
- samenstelling van  hand zn en  bezem znÂ
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | handbezem | handbezems |
| verkleinwoord | handbezempje | handbezempjes |
deâhandbezemâm
- (huishouden) veger waarmee men vuil op een blik kan schuiven (handbezem en vuilnisschep)
- âžÂ Standhouder Gerrit Lammers uit Lochem brengt heksenbezems aan de man. âVliegen zonder garantieâ meldt een kartonnen uithangbord. âZe komen wel eens met een gebroken been naar benedenâ, verklaart de uitbater. Zijn van berkenhout gemaakte handbezems vonden vorig jaar gretig aftrek op NaarBuiten. Daarom staat Lammers er nu weer.[1]
- Het woord handbezem staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- â
Weblink bron Evert van DijkhuizenâShoppen, sjouwen en zwetenâ (1 augustus 2002), Reformatorisch Dagblad
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Huishouden in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal