Naar inhoud springen

handjes

Uit WikiWoordenboek
  • hand·jes

de handjes mv

  1. verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord hand
    ▸ 'Hoera Jacob!ʼ Ruth klapte in haar handjes en gaf daarmee geluid aan de opluchting die de baby waarschijnlijk voelde.[1]
    ▸ Ik zag dat mijn kleine handjes een pop vasthielden die gemaakt was van sokken, met knoopjes als ogen.[2]
    ▸ Om haar val te breken strekte ze haar handjes uit en greep het eerste wat ze tegenkwam stevig vast.[1]
  1. 1 2
    Lex Paleaux
    “Liften naar de hemel” (2026), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026374715
  2. ↑
    Amanda Peters
    “De bessenplukkers” (2023), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026368202