handjes
Uiterlijk
- hand·jes
de handjes mv
- verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord hand
- ▸ 'Hoera Jacob!ʼ Ruth klapte in haar handjes en gaf daarmee geluid aan de opluchting die de baby waarschijnlijk voelde.[1]
- ▸ Ik zag dat mijn kleine handjes een pop vasthielden die gemaakt was van sokken, met knoopjes als ogen.[2]
- ▸ Om haar val te breken strekte ze haar handjes uit en greep het eerste wat ze tegenkwam stevig vast.[1]
- Het woord handjes staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 Lex Paleaux“Liften naar de hemel” (2026), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9789026374715 - ↑ Amanda Peters“De bessenplukkers” (2023), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9789026368202