Naar inhoud springen

hall

Uit WikiWoordenboek
  • hall
enkelvoud meervoud
naamwoord hall halls
verkleinwoord - -

de hall m

  1. hoge ruimte in een gebouw om een groter aantal mensen te ontvangen
    • Al van bij het binnenkomen in de grote hall zag ik dat het goed zat. Het liep er vol volk en de studenten trokken in grote drommen naar boven. [2]
    • Opeens rent John de hall binnen met een geweer in de hand. [3]
    ▸ In de hall bleef zij vlak bij de kamerdeur staan.[4]
    ▸ Uit een kast in de hall nam Arthur zijn winterjas en daarmee over zijn arm, daalde hij langzaam de vele korte trapjes van het trappenhuis af.[4]
34 %van de Nederlanders;
58 %van de Vlamingen.[5]
enkelvoud meervoud
hall halls

hall

  1. hal
  2. zaal
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  hall     le hall     halls     les halls  

hall m

  1. hall

hall

  1. horen